1. Taalontwikkelingsstoornissen
Voor het verloop van een normale taalontwikkeling dient een kind te beschikken over intacte spraakorganen, goede aandachtsconcentratie, goed gehoor en gezichtsvermogen, normale begaafdheid, voldoende taalaanbod en een goede motorische ontwikkeling.
Globaal verloopt de taalontwikkeling als volgt:
- 0-1 jaar: veel en gevarieerd brabbelen
- 1-6 jaar: een aantal onvolledige woordjes produceren
- 2-6 jaar: minstens 2-woorduitingen, niet altijd met volledige woordopbouw
- 3-6 jaar: 3- tot 5-woordzinnen, de grammaticale structuur is nog niet correct
- 4-6 jaar: goede enkelvoudige zinsstructuren, bijna alle spraakklanken zijn gekend
- 5-6 jaar: goede samengestelde zinnen, alle spraakklanken zijn gekend
Bij een aantal kinderen kent deze ontwikkeling een vertraagd of afwijkend verloop. Logopedisten spreken dan over een dysfatische ontwikkeling of een primaire taalontwikkelingsstoornis.
De stoornis treft zowel de ontwikkeling van de taalvorm (verbuigingen, vervoegingen en zinsbouw), taalinhoud (woordenschat) als taalgebruik.
Soms vertoont het kind ook kenmerken van hyperkinetisch gedrag en stoornissen in de aandacht en de concentratie.
Als de taal zich niet normaal ontwikkelt ten gevolge van een verstandelijke handicap, een gehoorstoornis of een psychische stoornis, dan spreken we van een secundaire taalontwikkelingsstoornis.
2. Lees-, schrijf- en rekenstoornissen
Lees-, schrijf- en rekenstoornissen (dyslexie, dysorthografie en dyscalculie) vinden hun oorsprong in tekorten in het taalvermogen van het kind, terwijl er sprake is van een normale intelligentie. Het kind heeft dan problemen met het omzetten van de gesproken taal in geschreven taal (spellen). Maar ook het omzetten van schrijftaal naar spraak (lezen) verloopt moeilijk. Bij rekenstoornissen is er sprake van een achterstand voor specifieke rekenvaardigheden. In overleg met ouders en school kan een contract met compenserende maatregelen bij specifieke leerstoornissen opgesteld worden.
Dyslexie
Bij sommige kinderen lijkt het wel alsof ze te vroeg beginnen met leren lezen. Ze bezitten niet de rijpheid om tot lezen te komen. Veel problemen van leesgestoorde kinderen kunnen we koppelen aan de thema’s “horen en zien”. Het gaat niet om stoornissen in het oog of het oor zelf, het probleem ligt een stap verder, nl. in de hersengebieden die deze indrukken moeten verwerken.
Kenmerken van leesgestoorde kinderen zijn:
- De visuele waarneming verloopt vertraagd. Aanvankelijk worden b/d, n/u en ei/ie verwisseld. Later blijkt dat ze radend lezen.
- De auditieve waarneming verloopt globaal en diffuus. Het herkennen en samenvoegen van losse klanken tot woorden is onvolledig.
- Het lezen gebeurt spellend en moeizaam.
- Ze hebben vaak moeilijkheden met de waarneming van de volgorde in de tijd (temporele ordening). Ze horen niet welke letter er eerst komt en welke erna.
- Ze hebben moeite met waarneming in de ruimte, begrippen zoals links-rechts en voor-achter zijn niet geïntegreerd (ruimtelijke oriëntatie).
- Ze vertonen soms aandachts- en concentratie-moeilijkheden waardoor de inprenting en het geheugen op lange termijn slechter functioneren.
Leesvaardigheid speelt een belangrijke rol in ieders leven. Dit geldt niet alleen voor de lagere school, maar ook in het voortgezet onderwijs en het latere beroepsleven. De basis van de leesvaardigheid wordt reeds gelegd in de derde kleuterklas. In het eerste leerjaar bepaalt het aanvankelijke lezen de evolutie van dit leesproces.
Dysorthografie
Visueel dyslectische kinderen gebruiken vooral de linker hemisfeer (taalhelft van de hersenen) en zijn minder in staat tot waarnemen van ruimtelijke patronen (rechter hemisfeer). Vaak ontbreekt het hen aan een visueel woordbeeld. Dit is vooral hinderlijk wanneer verschillende klanken min of meer op dezelfde manier geschreven worden, vb. ei/ie, ou/au of g/ch.
Bij kinderen met auditieve dyslexie zien we dat klanken zoals v/f, s/ z, eu/ui enz. verwisseld worden. Ook treden moeilijkheden op met open en gesloten lettergrepen.
Het niet integreren van de spellingsregels en tot uiting komen van deze problematiek bij het leren van vreemde talen is een kenmerk van spellingszwakke kinderen. In de praktijk worden ook lees- en spellingsproblemen in het Frans en of Engels behandeld.
Dyscalculie
Er is sprake van een rekenontwikkelingsstoornis wanneer de rekenresultaten, gemeten met een gestandaardiseerde individueel afgenomen test, opvallend onder het verwachte niveau behorend bij de schoolopleiding en de verstandelijke begaafdheid van het kind liggen. Dit probleem interfereert dan in belangrijke mate met de schoolresultaten of de dagelijkse bezigheden waarvoor rekenenvereist is. De rekenproblemen zijn niet het gevolg van een probleem met het zicht, het gehoor of een neurologische stoornis.
Het komt voor dat het kind de inhoud van bewerkingen niet visueel kunnen voorstellen. Het leert de bewerkingen uit het hoofd zonder ze te begrijpen. Vaak komt het niet tot cijferen, kan het de 10 niet overbruggen, heeft het geen inzicht in vraagstukken, mist het inzicht in de structuur van de bewerkingen of heeft het een onvoldoende voorraad aan oplossingssystemen.
3. Afasie
Afasie is een verworven taalstoornis, veroorzaakt door hersenletsel, waarbij het begrijpen en het uiten van gesproken en geschreven taal gestoord is. Afasie is dus een taalstoornis, dit impliceert dat het non-verbale geheugen en denken in principe intact is gebleven. Men kan denken, maar het uiten van dit denken via taal is gestoord. Het treedt meestal plotseling op, zonder waarschuwing. Dit heeft tot gevolg dat afasie door de patiënt en door de naaste omgeving vaak niet begrepen wordt. Het is geen eenduidige stoornis: spreken, begrijpen, lezen en schrijven kunnen in verschillende mate gestoord zijn. Bij de behandeling van afasie wordt de omgeving steeds intensief betrokken.